Nut, noodzaak en effectiviteit van ecoducten

Op 21 januari 2013 hadden wij Edgar van der Grift, ecoloog bij Alterra, te gast als spreker op de thema avond edcoducten. Deze themavond werd door ons georganiseerd naar aanleiding van berichten in de media dat er geen bewijs zou zijn voor de effectiviteit van ecoducten. Van der Grift hielp ons die avond om het nut, de noodzaak en de effectiviteit van ecoducten duidelijk te krijgen.

Van der Grift gaf ons een duidelijke boodschap mee: ecoducten hebben zeker nut. Ze verbinden leefgebieden aan elkaar die op zich zelf te klein zijn om een levensvatbare populatie te huisvesten.En dat is nodig want door het verdwijnen van leefgebieden neemt de biodiversiteit al jaren af, in Nederland, Europa en de wereld.  De verdwenen leefgebieden kunnen niet meer hersteld worden, al dan niet omdat het ecosysteem te zwaar ontregeld is of omdat de mens inmiddels andere plannen met het gebied heeft.  Wanneer een leefgebied dat eens groot genoeg was om een soort te onderhouden versnippert in kleinere gebieden bestaat de kans dat sommige van deze versnipperde gebieden zo klein worden dat een soort zich daar niet meer kan handhaven. Populaties hebben namelijk een minimum oppervlakte nodig om levensvatbaar te zijn. Wanneer het oppervlakte van een leefgebied onder dat minimum komt zal de soort daar op ten duur verdwijnen. Wanneer we de kleine gebieden echter met elkaar verbinden ontstaat een leefgebied-netwerk wat wel in staat kan zijn de soort te behouden. Het ontwikkelen van zo’n leefgebied-netwerk was precies de bedoeling achter de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).  In een druk bevolkt land als Nederland ligt vaak infrastructuur tussen de versnipperde gebieden in, ecoducten zijn de onmisbare schakels in de EHS die structuren als spoor- en snelwegen kunnen overbruggen.

In theorie hebben ecoducten dus wel degelijk nut, en zijn ze als schakels binnen de EHS ook noodzakelijk. Gegevens uit monitoringsonderzoek laten zien dat de dieren ook daadwerkelijk gebruik maken van ecoducten.  Groot wild gebruikt ecoducten om over te steken, terwijl de kleinere dieren (knaagdieren, amfibieën en hagedissen)  het ecoduct ‘bewonen’ waarmee het ecoduct ook als habitat het ene gebied met het andere verbindt. Voor wie het zich afvraagt: ook ecoducten die voor recreatief gebruik zijn opengesteld worden door de dieren gebruikt. De meeste dieren steken ’s nachts het ecoduct over en de wandelaars en fietsers die het ecoduct overdag betreden (op mooie dagen kunnen dat er meer dan 1000 zijn) lijken hier geen invloed op te hebben. Opmerkelijk genoeg is er juist meer menselijke verstoring van de natuur op ecoducten die niet opengesteld zijn voor het publiek. Uit het monitoringsondezoek blijkt namelijk dat men op de recreatieve ecoducten netjes gebruik maakt van de paden die zijn aangelegd waar de natuur op het ecoduct geen hinder van ondervindt, terwijl betreding van ecoducten zonder aangelegde paden, wat dus wel degelijk aan de orde is, betekent dat het habitat van vooral amfibiën, hagedissen en kleine knaagdieren eigenlijk per definitie verstoort wordt. Naast het feit dat dieren gebruik kunnen maken van ecoducten om knelpunten over te steken, dragen ze ook bij aan de verkeersveiligheid. Wanneer leefgebieden te klein worden gaan dieren ook zonder ecoduct op zoek naar meer ruimte waarbij  vaak provinciale- en snelwegen moeten worden overgestoken, en dat gaat niet altijd goed: In 2007 werden op de  Veluwe meer dan 500 wildzwijnen, bijna 800 reeën, 50 edelherten en 100 dassen aangereden. Deze aanrijdingen zijn ook voor de automobilist niet zonder risico, zeker in het geval van de grotere dieren. Door dieren via een ecoduct de mogelijkheid te geven een snelweg over te steken dragen ecoducten dus ook bij aan de verkeersveiligheid.

Ecoducten hebben dus wel degelijk nut; ze verbinden natuurgebieden binnen de EHS, dieren maken inderdaad gebruik van de ecoducten en ook dragen ze bij aan de verkeersveiligheid, maar  wat is nu de werkelijke, en meetbare, effectiviteit?  Naar dat antwoord was werkgroep Exact op zoek toen we het idee kregen deze thema-avond te organiseren. De effectiviteit van ecoducten moet blijken uit de gemeten invloed van een ecoduct op de levensvatbaarheid van een populatie. Studies hiernaar blijken jammer genoeg zeldzaam te zijn. Monitoringsstudies en beleidsevaluaties geven wel een beeld van het gebruik van ecoducten, en die gegevens zijn zeker bruikbaar, maar geven een beperkte voorstelling van zaken als deze worden gebruikt om uitspraken te doen over de effectiviteit. Volgens van de Grift  zou er vanuit de politiek dan ook bij een onderzoeksopdracht meer aandacht moeten worden gegeven aan het naleven van bepaalde kwaliteitseisen. Voor het gemak heeft hij zelf een document opgesteld met “richtlijnen voor het meten van het gebruik van faunapassages”.   Natuurlijk moet niet alleen het onderzoek kwalitatief goed in elkaar zitten, ook het doel van het plaatsen van een ecoduct moet veel beter worden uitgewerkt; wanneer die niet duidelijk op papier staat is terugkoppeling naar de vraag of de doelen zijn bereikt niet mogelijk. Dit lijkt voor de hand liggend, maar in het geval van ecoducten gaat het daar toch nog wel eens mis. Het lijkt alsof voor het bepalen van het doel van een ecoduct simpelweg een soortenlijst wordt opgesteld van soorten waarvan men wil dat ze het ecoduct gaan gebruiken. Veel beter is het om soorten te selecteren die met een haalbare onderzoeksinspanning statistisch significante effecten kunnen demonsteren. De effecten die worden gemeten moeten dan iets zeggen over de ecologische effectiviteit van een ecoduct: wordt het leefgebied van de onderzochte soort(en) dusdanig vergroot dat het bijdraagt aan de levensvatbaarheid van de populatie. Ecologische modellen kunnen helpen bij het kiezen van soorten, populaties en gebieden die te onderzoeken zijn en waarvan wordt voorspeld dat de aanleg een ecoduct inderdaad zou bijdragen aan de levensvatbaarheid van de populatie. Kwalitatief goed onderzoek moet dan bepalen of dat laatste ook echt is bewerkstelligd. Modellen kunnen bovendien helpen bij het plannen (en dus ook het op orde krijgen van de financiën) van onderzoek doordat je vooraf kunt bepalen hoe lang gemeten zou moeten worden,  hoe vaak de metingen moeten worden gedaan en wat de beste onderzoeklocaties zouden kunnen zijn. Studies naar de effectiviteit hebben dus niet het karakter van een project maar van een programma, pas wanneer beleidsmakers zich hiervan bewust zijn kan de kwaliteit van het onderzoek toenemen. Dan moet er vanuit de politiek natuurlijk nog de wil zijn om degelijk onderzoek uit te laten voeren. Men moet bereid zijn om voor kwaliteit te betalen…”liever een paar gedegen studies dan veel  quick scans” aldus van der Grift.  Te vaak wordt vanuit knelpunten geredeneerd: wanneer een ecoduct een bestaand knelpunt op papier oplost en door alle doelsoorten wordt gebruikt, is dat dossier wat dat betreft afgesloten. Van der Grift ziet zelden gebeuren dat er überhaupt vraag is over de daadwerkelijke effectiviteit van ecoducten. Partijen die beweren dat ecoducten niet effectief zijn zouden dus juist moeten aandringen op het uitvoeren van kwalitatief effectiviteitsonderzoek, tot dan is de discussie over de effectiviteit van ecoducten een non-discussie die niets af mag doen aan het nut die ecoducten in theorie en volgens het monitoringsonderzoek hebben.

Zie ook: artikel NRC september 2012.